In het najaar van 2025 luidde een gezamenlijk interbestuurlijk onderzoekstraject vanuit de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de noodklok over de toekomst van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Deze wet kan haar huidige rol en reikwijdte niet langer volhouden zonder duidelijke, afbakenende keuzes. Uitstel daarvan kan de toegankelijkheid en beschikbaarheid van maatschappelijke ondersteuning – met name voor de meest kwetsbaren – in gevaar brengen. Als overheid, gemeenten én uitvoerende organisaties niet expliciet bepalen waarvoor de Wmo wel en níét bedoeld is, dreigt de Wmo overbelast te raken en haar maatschappelijke opdracht te missen. De kernboodschap van het onderzoek is duidelijk: de houdbaarheid van de Wmo 2015 is geen uitvoeringsvraagstuk, maar een maatschappelijk keuzevraagstuk. In deze bijdrage een korte samenvatting van het onderzoek en vijf schurende kwesties die niet vanzelf worden opgelost…
Het is inmiddels 10 jaar geleden dat met de hervorming langdurige zorg (HLZ) de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) werd geïntroduceerd: een jubileum! Een mooi moment voor een evaluatie en vooruitblik. De eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 ‘Tijd voor stevige keuzes’ voorziet hierin.
In de afgelopen jaren werden diverse deelonderzoeken uitgevoerd en zagen rapporten over het functioneren van specifieke onderdelen van de Wmo het licht. Met het onderhavige houdbaarheidsonderzoek beogen de VNG en VWS een totaalbeeld op te halen om ‘het stelsel, de techniek alsook de uitvoeringspraktijk’ van de Wmo 2015 te verbeteren. De titel van het eindrapport verraadt dat keuzes nodig zijn. Het houdbaarheidsonderzoek toont aan dat ‘afbakenende keuzes’ onvermijdelijk zijn; zonder dergelijke keuzes zijn de beschikbaarheid en toegankelijkheid in het geding en kunnen gemeenten ‘in de nabije toekomst onvoldoende zorg dragen voor de ondersteuning van (de meest) kwetsbare mensen in de samenleving’. Een serieuze conclusie, waarvan akte!
De eindrapportage beschrijft de houdbaarheid van de Wmo vanuit verschillende perspectieven – financieel, personeel, maatschappelijk, juridisch/maatschappelijk. Het voert te ver om op deze plaats een volledige beschouwing van de eindrapportage te geven. Duidelijk is in ieder geval dat door ‘de autonome demografische ontwikkeling, complexiteit (zoals bijvoorbeeld bestaanszekerheid, huisvestingsvraagstuk, complexiteit in de wijk enz.) en de zogenoemde beweging naar de voorkant (in alle zorgdomeinen)’ risico’s geven van een uitdijende Wmo. Op haar beurt zorgt dit voor financiële, personele en maatschappelijke druk. Om hieraan het hoofd te bieden bevat het eindrapport diverse aanbevelingen die langs de volgende (hoofd)lijnen zijn samen te vatten.
Vooreerst is van belang – zo concluderen VWS en de VNG – dat de plaats en rol van de Wmo (opnieuw) te verduidelijken. Gaat het om (1) een afgebakende ‘ondersteuningswet’ die bedoeld is om mensen in hun zelf- en samenredzaamheid te helpen? Of zien we de Wmo meer als (2) een ‘toegangspoort’ naar zorg- en ondersteuning? Of is ze (3) een breed ‘maatschappelijk vangnet’ voor situaties waarin de zelf- en samenredzaamheid onvoldoende soelaas biedt en andere domeinen daarop geen passende antwoorden geven? De huidige praktijk laat zich het best weergeven door de derde variant.
Als tweede signaleren de onderzoekers de noodzaak om zelf- en samenredzaamheid (als belangrijk beleidsuitgangspunt voor de Wmo) te versterken. Onder meer zien zij hierbij huiswerk op het vlak van geschikte huisvesting, versteviging van de bestaanszekerheid en meer focus op financiële redzaamheid als onderdeel van zelfredzaamheid – waarbij herinvoering van de inkomens- en vermogensafhankelijke eigenbijdrage een belangrijke plaats heeft(!). Versterking van de zelf- en samenredzaamheid zou een remmende werking op de instroom in de Wmo moeten hebben.
In de eindrapportage staat vervolgens de sociale basis en collectieve ondersteuning centraal. De gedachte hierbij is dat een stevige sociale basis en goede voorliggende collectieve voorzieningen het beroep op (individuele, geïndiceerde) maatwerkvoorzieningen tempert en daarmee de Wmo (en het brede zorg- en ondersteuningsstelsel) houdbaarder maakt. Dit vraagt onder meer om herverdeling van schaarste; prioriteren van zorg en ondersteuning waar deze het hardst nodig is. Preventieve werking kan ook worden bereikt door de beschikbaarheid van maatwerkvoorzieningen in de Wmo in te perken (bijvoorbeeld geen huishoudelijke hulp meer vanuit de Wmo) of dit minder aantrekkelijk te maken (zoals met de herinvoering van de inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage). Ook een betere borging van het ‘voorliggende veld’ (sociale basis en algemene voorzieningen) in de begrotings- en financieringssystematiek van gemeenten is denkbaar; bijvoorbeeld door deze niet uit de algemene middelen (het Gemeentefonds) te bekostigen maar specifiek te labelen.
Tot slot besteden de onderzoekers aandacht aan de inrichting van het stelsel. De onderzoekers leggen de vinger bij de complexiteiten die de ‘interbestuurlijke vormgeving’ van de Wmo oplevert; veel partijen zijn betrokken (VWS als beleidsinhoudelijk departement, de ministeries BZK en Financiën als fondsbeheerders, 342 gemeenten en lokaal en/of regionaal opererende zorgorganisaties). De (principiële) beleidsruimte die gemeenten binnen het stelsel hebben, zorgt hierbij bovendien voor diversiteit die de uitvoering en het beleid van de Wmo belemmert. Het is dan ook zaak om na te gaan waar landelijke kaders en standaarden kunnen helpen en waar gemeentelijke beleidsruimte zinvol is en werkt.
Samenvattend legt het onderzoek vijf schurende kwesties bloot met kritische vragen aan de lezer:
1. De Wmo functioneert in de praktijk als vangnet voor systeemfalen – zonder dat daar een expliciet mandaat voor is.
Zo vangt de Wmo tekorten op in andere domeinen: GGZ, wonen, vervoer, eerstelijnszorg en bestaanszekerheid. Daardoor is zij uitgegroeid tot een stelselondersteunend vangnet, ook waar zij juridisch niet voor bedoeld is. De wet kan deze systeemdruk niet structureel oplossen, maar wordt daar wél op afgerekend. Willen we dat gemeenten structureel corrigeren wat rijksbeleid of marktdynamiek elders laat liggen – of is hiermee een grens bereikt aan lokale solidariteit?
2. Zelfredzaamheid wordt vooral buiten de Wmo bepaald – maar daar stuurt het systeem nauwelijks op.
Zelf- en samenredzaamheid hangen primair samen met huisvesting, bestaanszekerheid en leefomgeving, niet met de Wmo zelf. Investeringen dáár hebben waarschijnlijk meer effect op de houdbaarheid dan extra Wmo-interventies. De politieke en financiële aandacht ligt juist wél zwaar bij de Wmo, die vervolgens symptoombestrijding moet leveren. Waarom blijven we sleutelen aan de Wmo, terwijl we weten dat de oorzaak van de druk elders ligt – en accepteren we daarmee impliciet blijvende overbelasting.
3.Het voorzieningenkarakter botst met de maatschappelijke verwachting van een ‘recht op zorg’.
De Wmo is een voorzieningenwet, geen aansprakenwet. In de praktijk wordt de wet – mede door jurisprudentie en het abonnementstarief – alsnog ervaren als een recht, vooral bij huishoudelijke hulp en hulpmiddelen. Deze spanning ondermijnt het maatschappelijk draagvlak en drijft kosten en schaarste. Zijn we bereid om collectief te accepteren dat ondersteuning niet altijd beschikbaar is voor iedereen – en dat eigen verantwoordelijkheid echt weer een rol krijgt?
4. Zonder prioritering bij schaarste wordt de Wmo voor iedereen ontoegankelijk.
Gemeenten beschikken nauwelijks over instrumenten om bij personeelsschaarste en oplopende vraag transparant te prioriteren. Het gevolg is wachtlijsten en willekeur, met het risico op maatschappelijke tweedeling. Niet kiezen is dus óók kiezen: namelijk voor stille afschaling en ongelijke toegang. Is expliciete triage (wie eerst, wie later, wie niet) eerlijker dan impliciete uitsluiting via wachttijden – en durven bestuurders die verantwoordelijkheid te nemen?
5. De sociale basis wordt als oplossing gepresenteerd, maar structureel budgettair weggedrukt.
Hoewel het onderzoek de waarde van de sociale basis onderschrijft, stijgen de uitgaven aan maatwerkvoorzieningen harder dan aan samenkracht en burgerparticipatie. Daardoor wordt de sociale basis in de praktijk uitgehold. Kortom, de lange termijn-oplossing wordt opgeofferd aan korte termijn-verplichtingen. Durven we de sociale basis financieel te beschermen tegen maatwerkclaims – ook als dat betekent dat individuele ondersteuning wordt begrensd?
Wat betekent het voorgaande voor zorg- en welzijnsorganisaties en hoe kunnen zij zich hierop voorbereiden? Het valt niet mee deze vragen concreet te beantwoorden. De diversiteit aan opgaven is immers groot. Ook ligt de precieze uitwerking van de aanbevelingen en boodschappen in het houdbaarheidsonderzoek nog open. Tegelijkertijd zijn wel enkele hoofdlijnen te schetsen waar zorg- en welzijnsorganisaties mee hebben te rekenen. Wij denken hierbij in ieder geval aan:
- Flexibiliteit in aanbod en organisatie: Inspelen op verschuivingen van individuele naar collectieve ondersteuning, en op veranderende financieringsstromen (zoals de herinvoering van de inkomstenafhankelijke bijdrage of een andere afbakening van zorgwetten).
- Arbeidsmarktbeleid: Investeren in behoud, scholing en werkplezier van medewerkers, en het benutten van informele zorgpotentieel (mantelzorgers, vrijwilligers).
- Samenwerking in de keten: Actief deelnemen aan regionale samenwerkingsverbanden, aansluiten bij lokale teams en sociale basis, en meedenken over integrale oplossingen.
- Innovatie en digitalisering: Ontwikkelen van nieuwe vormen van ondersteuning (zoals reablement), inzetten op digitalisering en datagedreven werken.
Zorg- en welzijnsorganisaties krijgen te maken met een complexer speelveld, waarin samenwerking, innovatie en aanpassingsvermogen centraal staan. De komende jaren zullen stevige keuzes worden gemaakt die direct invloed hebben op de rol, financiering en werkwijze van aanbieders. Proactief anticiperen op deze ontwikkelingen is essentieel om toekomstbestendig te blijven. Op welke elementen kan uw organisatie het verschil maken?
Naar aanleiding van dit artikel vragen? Neem contact op met onze adviseurs. Wij helpen je graag verder!
Contact
We helpen u graag verder!
Bent u nieuwsgierig wat wij voor u kunnen betekenen? Aarzel niet contact op te nemen met ons. Samen bespreken we de mogelijkheden.
Matthias Stout MSc
