Wie een beetje thuis is in de beleidsstukken, programma’s en akkoorden in de ouderenzorg zal ervan op de hoogte zijn dat beleidsmakers nadrukkelijk voorsorteren op een toenemende (ouderen)zorgvraag. Ook de (verwachte) groeiende druk op verpleeghuiszorg komt hierin ruimschoots aan bod. Zie bijvoorbeeld het recente NZa-onderzoek naar de zorgplicht van zorgkantoren in het kader van verpleeghuiszorg, waarbij zorgkantoren en de NZa belangrijke onzekerheden signaleren om na 2028 tijdig passende verpleeghuiszorg te kunnen blijven leveren. Dit is dus al in de nabije toekomst!
Tegelijk is sinds november 2024 sprake van vraaguitval, waarbij onduidelijkheid bestaat of dit incidenteel of structureel is en wat de onderliggende oorzaken zijn. Het RIVM verricht hier momenteel (in opdracht van VWS) onderzoek naar.
Voor zorgorganisaties in de ouderenzorg is het natuurlijk van eminent belang hoe de vraag naar verpleeghuiszorg zich zal ontwikkelen. Dit geldt niet alleen aanbieders van verpleeghuiszorg maar ook het voorliggende veld, vaak fungeren deze namelijk als communicerende vaten. Het is (onder andere) aan zorgorganisaties om zich voor te bereiden op de vraagontwikkeling – bijvoorbeeld waar het gaat om ver-/nieuwbouw van verpleeghuiscapaciteit. Hiervoor hebben zij evenwel scherpe inzichten – gebaseerd op betrouwbare schattingen – nodig.
Niet alleen het aantal ouderen in het verpleeghuis is hierbij van belang. Ook de verblijfsduur is bepalend voor de vraag naar verpleeghuiszorg en het voorliggende veld. Het is dan ook interessant om kennis te nemen van onderzoek dat hier recent naar is gedaan: ‘Trend in length-of-stay in nursing homes: Evidence from the Netherlands’. De onderzoekers merken op dat de gemiddelde verblijfsduur weliswaar is geschat maar onderzoek naar trends in verblijfsduur en de daarvoor bepalende factoren spaarzaam is. Een gebrek aan inzicht in de tijdstrend van de verblijfsduur kan leiden tot een forse over- of onderschatting van de benodigde verpleeghuiscapaciteit in de komende decennia. Het onderzoek beoogt deze lacune dan ook te dichten.
Uit het genoemde onderzoek blijkt de verblijfsduur in de periode 2012-2022 met 8% te zijn gedaald (van gemiddeld 930 naar 853 dagen), wat is te verklaren door de combinatie van:
- Demografische ontwikkelingen (27%) – Door de vergrijzing van de bevolking is er een toename (verwachte instroom) van relatief jonge ouderen naar een verpleeghuis. Tegelijkertijd wordt, door de gestegen levensverwachting, verwacht dat meer bewoners op het moment van opname ouder zullen zijn. Bovendien zijn er in de loop van de tijd relatief meer mannen opgenomen in een verpleeghuis (mannen hebben gemiddeld een kortere verblijfsduur dan vrouwen).
- Zwaardere zorgbehoeften (40%) – Meer ouderen blijven langer zelfstandig wonen. Omdat dit effect zich vooral voordeed bij personen met de beste gezondheid (de laagste ZZP-niveaus), nam in de loop van de tijd de ernst van de gezondheidsproblemen op het moment van opname in een verpleeghuis toe, wat gepaard ging met een kortere verblijfsduur.
- Overige factoren (32%)
Vanzelfsprekend heeft de dalende verblijfsduur impact op de benodigde verpleeghuiscapaciteit. Eerder berekenden Alders en Schut drie scenario’s en hun impact op het benodigd aantal plaatsen in 2035:
- Een stijgende verblijfsduur (evenredig met de toename van de levensverwachting): 226.000 plaatsen
- Een stabiele verblijfsduur: 174.000 plaatsen
- Een daling van 20% (een lineaire afname van de verblijfsduur van 36 naar 30 maanden tussen 2014 en 2035): 145.000 plaatsen
Het onderzoek naar de verblijfsduurtrend wijst uit dat de vraag in 2035 waarschijnlijk tussen het tweede en derde scenario zal liggen. Dit kan gepaard gaan met een toenemende vraag naar andere vormen van begeleid of beschermd wonen. Daarnaast benadrukken de onderzoekers dat beleidsmakers rekening moeten houden met het effect van demografische veranderingen als gevolg van de naoorlogse babyboom. Zowel vergrijzing als langer zelfstandig thuis wonen zullen een aanzienlijke invloed hebben op de samenstelling van de verpleeghuispopulatie en de vraag naar verpleeghuiszorg.
Hoewel de uitkomsten van het onderzoek niet een-op-een naar de lokale context van zorgorganisaties vertaald kunnen worden, vormen de opgehaalde inzichten relevante input voor zorgorganisaties. In algemene zin noemen wij het belang van:
- Gericht (prospectief) capaciteitsmanagement, niet alleen qua (type) vastgoed maar ook wat (type) personeel.
- Wendbaarheid van organisatie om met sectorale trends mee te kunnen bewegen, zoals modulaire voorzieningen en flexibele inzet van gespecialiseerde teams.
- Sturing op efficiënte en effectieve in- en doorstroom (in verband met kortere verblijfsduur en andersoortige zorg zoals eerstelijns).
- Versterking van (netwerk)samenwerking, onder meer met thuiszorg, eerstelijns en revalidatiecentra.
De dalende verblijfsduur onderstreept dat we niet alleen meer, maar vooral ándere capaciteit nodig hebben. Flexibiliteit in vastgoed, personeel en regionale samenwerking wordt daarmee minstens zo belangrijk als de absolute capaciteit. Voor bestuurders en financials is de les helder: de toekomstige vraag ontwikkelt zich niet meer lineair. Maak dus ruimte voor maximale wendbaarheid, kijk over de grenzen van de eigen organisatie heen en borg tijdige, datagedreven besluitvorming. Het vraagt scenario’s én een organisatie die strategisch meebeweegt met een zorgpopulatie die verandert in leeftijd, zorgzwaarte en verblijfsduur.
Naar aanleiding van dit artikel vragen? Neem contact op met onze adviseurs. Wij helpen je graag verder!
Contact
We helpen u graag verder!
Bent u nieuwsgierig wat wij voor u kunnen betekenen? Aarzel niet contact op te nemen met ons. Samen bespreken we de mogelijkheden.
Matthias Stout MSc
