HomeArtikelen

Wibz 2.0: wordt de winstuitkering in de zorg aan banden gelegd?

Wibz 2.0: wordt de winstuitkering in de zorg aan banden gelegd?

juli 8, 2026
Redactie

Mag er geld verdiend worden aan zorg? Die vraag verdeelt ‘politiek Den Haag’ al jaren en ligt opnieuw op tafel. Eerdere pogingen om winstuitkeringen in de zorg te beteugelen liepen vast op juridische, praktische en politieke bezwaren; het kabinet presenteert nu een aangescherpte versie van de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz). De voorgestelde wijzigingen raken niet alleen investeerders en private equity, maar kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor vrijwel elke zorg- en jeugdhulpaanbieder. Wat verandert er precies, en waarom lijkt de overheid ditmaal bereid verder te gaan dan ooit tevoren?

Winstuitkeringen in de zorg. Het is een terugkerend (heikel) thema waartegen opeenvolgende kabinetten iets hebben willen doen. Recent kwam opnieuw een nieuwsbericht naar buiten waarin het kabinet scherpere regels aankondigde. Het nieuwsbericht kwam niet onverwachts; de (vorige) minister had immers toegezegd om voor de zomer met een nieuw voorstel voor de Wibz te komen.

Oorspronkelijke wetsvoorstel
Het is alweer even geleden dat het wetsvoorstel het licht zag; in maart 2024 werd de ontwerpregeling met toelichting gepubliceerd en in januari 2025 diende toenmalig minister Agema het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in. Met het wetsvoorstel beoogde Agema “eerlijke en betrouwbare bedrijfsvoering in de zorg en jeugdhulp te waarborgen” als “voorwaarde voor het bieden van goede, toegankelijke en betaalbare zorg en jeugdhulp”, om te “voorkomen dat zorgaanbieders vooral gericht zijn op eigen financieel gewin” en om “oneerlijke aanbieders buiten te houden”. Overigens heeft de Wibz al een lange aanloop en is ze in de bredere context te zien van eerdere beleidsvoornemens en andere aanscherpingen, bijvoorbeeld die rondom transparante (jaarverantwoording over) financiële bedrijfsvoering zoals in de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg, artikel 40a/b).

Volgens de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel bevat het voorstel grofweg de volgende elementen:

  • Normering voor winstuitkeringen (handhaving én aanscherping bestaand verbod alsook introductie van extra voorwaarden).
  • Wettelijke bepaling dat zorg- en jeugdhulpaanbieders bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen geen onverantwoorde risico’s mogen nemen.
  • Normering voor ‘normale marktvoorwaarden’ bij ‘van betekenis zijnde transacties met verbonden partijen’.
  • Actualisering van toezicht op vastgoedtransacties in de zorg.
  • Verbinding van de Wtza-vergunning aan extra weigerings- en intrekkingsgronden.

Overigens merken wij hierbij op dat het begrip winstuitkeringen breed gelezen moet worden. Niet alleen dividenduitkeringen vallen hieronder. Het gaat (afgezien van een aantal uitzonderingen) bijvoorbeeld ook om “excessieve vergoedingen voor geleverde goederen of diensten, goodwill of de overwaarde bij de inkoop van eigen aandelen door de aanbieder”. Tot slot wijzen wij nog op winstuitkeringen in relatie tot onderaanneming: totdat meer inzicht hierin is verkregen voorziet het oorspronkelijke wetsvoorstel erin om de regels voor onderaannemers gelijk te trekken aan die voor hoofdaannemers. Dit is een belangrijke ontwikkeling omdat voor onderaannemers tot heden geen verbod op winstuitkeringen geldt.

Kritische ontvangst
Hoewel de roep om extra maatregelen rondom winstuitkeringen groot was, riep de uitwerking daarvan in het oorspronkelijke wetsvoorstel belangrijke vragen op. Zo gaf de Raad van State terug dat een duidelijke probleemanalyse ontbrak; waarom zou bestaande wet- en regelgeving (inclusief zelfregulering via governancecodes) niet voldoende zijn? Het wetsvoorstel gaf bovendien geen inzicht in de vormen van niet-integer gedrag, de mate waarin dit gedrag zich voordoet en bij welk(e) type(s) zorgaanbieders dit plaatsvindt. Hierdoor kon de raad de proportionaliteit van en alternatieven voor de Wibz niet wegen.

Ook de Tweede Kamer liet zich kritisch uit over het oorspronkelijke wetsvoorstel. Zo vroegen Kamerleden zich af of het wetsvoorstel voldoende effectief zou zijn om “aanbieders en investeerders met de verkeerde intenties uit de zorg en jeugdhulp te weren”, waarbij de kritiek zich concentreerde op winstuitkeringen en private equity. Bovendien werden breder in de samenleving bezwaren tegen het wetsvoorstel geuit, onder meer rondom de uitvoerbaarheid, de ermee gepaard gaande administratieve lasten en de impact op de ondernemingsvrijheid van aanbieders.

Herbezinning
De kritische ontvangst van het oorspronkelijke wetsvoorstel leidde ertoe dat (voormalig) minister De Bruijn in december 2025 aangaf zich her te bezinnen. In een voortgangsbrief aan de Tweede Kamer gaf hij aan hierbij drie opties te verkennen:

  • Winstuitkeringen voor sommige zorg-/leveringsvormen verbieden, vooral daar waar winstuitkeringen risico’s opleveren en geen of onvoldoende meerwaarde bieden voor innovaties en nieuwe toetredingen.
  • Ruimte creëren voor bescheiden winstuitkeringen, maar ruimte inperken voor investeringen die door winstuitkeringen zijn ingegeven.
  • Invoeren van algeheel (principieel) verbod op winstuitkeringen.

Meer uniformiteit en focus op normstelling
Recent informeerde minister Sterk de Tweede Kamer naar aanleiding van deze herbezinning. Met haar voorstel beoogt de minister strengere, duidelijkere en meer handhaafbare normen. Hierbij is het balanceren tussen “ruimte voor ondernemerschap en een duidelijke normering aan de voorkant”, aldus de minister.

Een belangrijk element in het nieuwe wetsvoorstel is dat de minister voor het winstuitkeringsverbod niet langer onderscheid maakt tussen sectoren en leveringsvormen; de regels worden voor alle zorg-/jeugdhulpaanbieders gelijkgetrokken. Alle aanbieders mogen bescheiden winsten uitkeren maar moeten daarbij wel aan strenge regels voldoen. Dit betekent onder meer dat de uitzonderingsbepalingen (zoals deze waren opgenomen in artikel 3.1 van het Uitvoeringsbesluit Wtzi) niet meer gelden en de regels rondom winstuitkeringen ook van toepassing zullen zijn op onderaannemers. Hiermee wil de minister ontwijkconstructies onmogelijk maken.

Een andere aanvulling op het oorspronkelijke wetsvoorstel betreft de introductie van een maximum percentage winstuitkering waarmee het kabinet wil aangeven wat “een acceptabel niveau aan winstuitkering in de zorg” is, waarbij aanbieders en investeerders “een bescheiden maar voldoende aantrekkelijk rendement” kunnen behalen terwijl de zorg hierdoor minder aantrekkelijk wordt voor “malafide aanbieders en investeerders die uit zijn op excessief financieel gewin”. De minister is voornemens het maximum percentage aan het “geïnvesteerd vermogen” te koppelen. De hoogte van het percentage is nog onderwerp van onderzoek.

Ook wat betreft (transparantie rondom) de bedrijfsvoering trekt de minister de teugels verder aan. Zo mogen zorg-/jeugdhulpaanbieders die niet aan de jaarverantwoordingsplicht voldoen geen winst uitkeren en recidive kan leiden tot intrekking van de toelatingsvergunning.

Het is nog even wachten op de gewijzigde tekst van het wetsvoorstel. Hoewel de Raad van State en de Tweede Kamer zich na de wijziging opnieuw over het wetsvoorstel zullen buigen, is de richting duidelijk. Het is dan ook raadzaam kennis te nemen van de voorstellen en de impact ervan op uw organisatie te evalueren. Desgewenst staan wij u graag hierin bij, waarvoor u vrijblijvend met ons contact op kunt nemen.

Naar aanleiding van dit artikel vragen? Neem contact op met onze adviseurs. Wij helpen je graag verder!

Sector

Zorg & Welzijn
Matthias Stout MSc RA
Klik om telefoonnummer te zien

Contact

We helpen u graag verder!

Bent u nieuwsgierig wat wij voor u kunnen betekenen? Aarzel niet contact op te nemen met ons. Samen bespreken we de mogelijkheden.

Matthias Stout MSc RA

Klik om telefoonnummer te zien

Misschien ook interessant

Standaard betalingsregeling Belastingdienst voor particulieren

Fiscaal aantrekkelijk obligatieplan voor (sport)vereniging

Sportschool en personal trainer voor dga onbelast?

Aanpassingen 12% pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s