‘Je moet tegenwoordig werken alsof je niet zorgt en zorgen alsof je niet werkt’
Deze en andere treffende observaties passeren de revue in de onlangs verschenen Staat van Gezinnen 2026, een gezamenlijk initiatief van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ), Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ media. Dit rapport focust op een onderbelicht risico voor de zorgsector: de veerkracht van gezinnen staat onder druk en daarmee de basis onder informele zorg. De sub-titel van het rapport luidt: “De tijd is op”. Wordt de stille pijler van de Nederlandse verzorgingsstaat bedreigd?
In de Staat van Gezinnen steken genoemde partijen de peilstok in het welzijn van gezinnen in Nederland en verkennen ze wat goed gaat of verbetering behoeft. Het rapport biedt ook waardevolle inzichten en aanbevelingen voor de zorgsector; instabiliteit in gezinnen raakt immers de vraag naar zorg én het aanbod van zorg. In deze bijdrage leggen wij kort de vinger bij de impact op informele zorg.
De discussie over de houdbaarheid van de zorg richt zich vaak op vergrijzing en arbeidsmarkttekorten. De Staat van Gezinnen 2026 legt een ander belangrijk risico bloot: de verbrokkeling van het gezin zelf. Waar het zorgstelsel impliciet leunt op een vitale informele zorgbasis, laat de praktijk zien dat die basis (steeds verder) onder druk staat.
Ouders ervaren structurele stress door de combinatie van werk, opvoeding en – steeds vaker – mantelzorgtaken. Tegelijkertijd neemt de sociale samenhang af en verdwijnt het vanzelfsprekende ‘dorp’ rond het gezin. De consequentie is dubbel: de draagkracht van gezinnen neemt af, terwijl de verwachting tot informele zorg juist toeneemt. Dit zijn soortgelijke klanken als we eerder hoorden naar aanleiding van het rapport Op de rem! Voorbij de hypernerveuze samenleving van de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving.
Voor de zorgsector is dit geen sociaal vraagstuk aan de zijlijn, maar een systeemrisico. Nederland heeft een uitgebreid stelsel van voorzieningen, maar het functioneert als een systeem dat is gebouwd rond regels en sectoren, niet rond gezinnen. Minder informele zorg betekent een hogere instroom in formele zorg, langere zorgtrajecten en meer druk op toch al schaarse capaciteit. Bovendien verschuift de problematiek: van incidentele zorgvragen naar structurele problematiek rond mentale gezondheid.
Dit vraagt om een andere aanpak van beleidsmakers, waarbij onder meer nadrukkelijke(r) aandacht komt voor preventieve investeringen in de sociale infrastructuur rond zorgvragers. Preventie betekent in deze context versterking van gezinnen, netwerken en gemeenschappen. Wil de zorg houdbaar blijven, vraagt dit van bestuurders en toezichthouders in de zorg een bredere verantwoordelijkheid: niet alleen sturen op formele zorgcapaciteit, maar ook actief investeren in de veerkracht van het informele zorgnetwerk waar zij dagelijks op leunen.
Wat betekent dit concreet? Het versterken van sociale netwerken rond cliënten én het beschermen van de eigen medewerkers vraagt topprioriteit. Voor de medewerkers geldt dat ze zelf steeds vaker onderdeel zijn van datzelfde informele zorgcircuit. De vraag is daarmee niet langer óf u inzet op informele zorg, maar hoe u met concrete maatregelen voorkomt dat dit netwerk – binnen én buiten uw organisatie – overbelast raakt. Hoe expliciet stuurt u daarop in uw strategie, HR-beleid en samenwerkingsagenda?
Naar aanleiding van dit artikel vragen? Neem contact op met onze adviseurs. Wij helpen je graag verder!
Contact
We helpen u graag verder!
Bent u nieuwsgierig wat wij voor u kunnen betekenen? Aarzel niet contact op te nemen met ons. Samen bespreken we de mogelijkheden.
